We zetten het dun spinnen terug op de kaart!

Het was ergens tijdens mijn zomervakantie dat ik een mailtje ontving van Jan Zandbelt, dé dunspinner die al meerdere keren winnaar was van de wereldwijde wedstrijd dunspinnen. Een echte wereldkampioen dus!

Hij nodigde Ingeborg, Renske en mij uit om langs te komen om de geheimen van dunspinnen te leren kennen. Daar hadden wij alle drie wel oren naar. Na een paar mailtjes over en weer werd er een datum geprikt.

Op een mooie zondagmiddag in september was het dan zover. Wij gingen, met onze spinnewielen, naar Zwijndrecht. We werden gastvrij ontvangen door Jan en Lenie met thee en chocola. Er stond een spinnewiel van Jan’s hand klaar: “Probeer maar even hoe die trapt“, zei Jan, ”dan kun je daar straks dun op proberen te spinnen”. Ieder van ons zat even achter het wiel terwijl we onze thee dronken. Als snel moesten we aan het werk. Op het wiel van Jan werd een superlicht klosje geschoven met daarop een bijna onzichtbaar dun draadje. Terwijl Jan aanwijzingen gaf, probeerden wij om beurten om heel dun te spinnen.

Als je dun spint zijn er een aantal dingen belangrijk:

Het gewicht van je klos moet zo licht mogelijk zijn, want er wordt steeds door je klos aan je dunne draadje getrokken. Hiervoor heeft Jan speciale lichtgewicht klosjes ontworpen.

Je rem moet zo los mogelijk staan om zo min mogelijk trek aan je draadje te hebben, het best kun je dit instellen bij een vluchtaangedreven spinnewiel.

Je spint met superieure wol, in dit geval Polwarth. Dat is een kruising tussen Merino en Lincoln, een superfijn wolletje. Je kamt het voor het spinnen goed door, zodat alle vezeltjes los zijn en eventuele viezigheidjes eruit vallen.

Verzet regelmatig je haakje zodat je draadje in groepjes op je klos komt, als je dan een draadbreuk hebt, ben je hooguit één zo’n groepje kwijt.

Nadat we ieder even op het wiel van Jan gesponnen hadden, was het tijd om op ons eigen wiel aan de slag te gaan. Jan had voor ieder van ons 2 superlichte klosjes gemaakt en we kregen een A4-tje met tips. Zo hebben we een tijdje geoefend, waarbij Jan alles in de gaten hield en waar nodig nog vulstukjes aanbracht om te zorgen dat de omstandigheden optimaal zouden zijn. Na een halfuur intensief oefenen, had Lenie voor ieder een lekkere kop soep en konden we even onze ervaringen uitwisselen.

Na de soep gaf Jan nog wat tips over het twijnen van de draad. Als je met zoveel inspanning twee klossen met superdunne singles hebt, wil je natuurlijk niet dat er bij het twijnen zó hard aan getrokken wordt dat het alsnog breekt. De kunst is hier om het twijnen zo gelijkmatig en rustig mogelijk te toen, zodat je klosjes eigenlijk de hele tijd langzaam blijven draaien.

De laatste stap in het hele proces is het meten van je draad. Ieder heeft daar thuis zo zijn eigen methodes voor. De ene wat accurater dan de ander. Maar als je aan zo’n wedstrijd meedoet, wil je natuurlijk exact weten hoelang je draad is. Jan heeft daar een meet-apparaat voor ontwikkeld, met daarop een wieltje en een tellertje. De maat van het wieltje is zodanig dat als er een meter draad langs is geweest het tellertje op 1 staat. Het is een doeltreffend stuk gereedschap. Zo kwam er een einde aan een leerzame middag.

Die middag zijn we niet aan twijnen en meten toegekomen, maar we zijn wel met een schat aan informatie naar huis gegaan.

Jan en Lenie ontzettend bedankt voor de gastvrijheid, alle waardevolle informatie en de soep, ook namens Ingeborg en Renske.

.En voor iedereen die dit stukje nu heeft gelezen en denkt over meedoen aan de wedstrijd, mocht je interesse hebben in zo’n lichtgewicht klosje die ik eerder noemde, dan kun je contact opnemen met Jan. Hij maakt ze graag voor je. Jan wil dolgraag dat de kennis en expertise omtrent het dunspinnen behouden blijft. Daarom heeft hij ons uitgenodigd en gevraagd om de kennis door te geven.

Daar gaan wij ons best voor doen!!

Joke Klein

Meer nieuws